Een (woon)plan voor de derde levensfase

Bron: Cosim’s Corner, de website van Cock Kerling – Simons

*

De periode, die volgt op het werkzaam leven, en die begint rond de 60, heeft heel eigen kenmerken. Je behoort tot de ouderen, senioren of hoe ze ook genoemd worden, maar in elk geval ben je onderwerp van het ouderenbeleid. Ongetwijfeld is dat beleid gebaseerd op goede bedoelingen, maar de meeste ouderen willen toch graag de regie in handen houden. Ofwel zo lang mogelijk de baas over hun eigen leven blijven. Daar moet je tijdig je maatregelen voor treffen en planmatig te werk gaan.

Mijn advies is: begin tegen de tijd dat je niet meer (officieel) werkt met het maken van een woonplan voor de derde levensfase. De woning, de woonomgeving en de woonplaats zijn heel bepalend voor het geluksgevoel, en dat geldt nog meer als men niet meer werkt en veel meer thuis is.
De omstandigheden zijn op deze leeftijd gunstiger dan men zich veelal realiseert. Over veel belangrijke persoonlijke zaken bestaat geen onzekerheid (meer). Zoals het al of niet hebben van een partner en van kinderen. Men kent zich zelf, de eigen voorkeuren en liefhebberijen. Ook is het (meestal) duidelijk wat de inkomenspositie is de komende periode; goed of slecht, het is een vast gegeven. Er breekt een nieuwe levensfase aan, waarvoor men de juiste voorwaarden zelf kan creëren; de woonomstandigheden spelen daarin een belangrijke rol. Bovendien is men op een leeftijd dat men een verbouwing of een verhuizing nog gemakkelijk aan kan, met alle beslommeringen en lichamelijke inspanningen, die daarmee gepaard gaan. De voornaamste onzekerheid is de eigen toekomstige gezondheid en validiteit en die van de partner. Bij het inrichten van het plan kun je daar echter rekening mee houden.
Ook voor alleenstaanden is het maken van zo’n plan belangrijk. Ik ga voor het gemak uit van werkende alleenstaanden, die met het werk stoppen. Voor hen is de overgang van werk naar thuis, zo mogelijk nog groter…

NB Bij dit soort exercities moet je wel uitgaan van een algemeen beeld; natuurlijk zijn er allerlei bijzondere situaties, maar ik ga uit van een gemiddelde situatie.

De basis van het plan is een zelfonderzoek.
Op basis van de statistische levenskansen heeft iemand na het beëindigen van het (betaalde) werk nog minstens 20 jaar voor de boeg. Kijk, om een idee te krijgen hoe lang dat is, als 60-jarige even terug naar 20 jaar geleden. Wat had je nog een plannen op je 40ste!!
Het opstellen van een plan voor de eerste 10 jaar na het stoppen met werken is dus zo gek niet. En nog verstandiger is het ook de volgende 10 jaar, waarin een grotere kans is op verminderde vitaliteit en/of gezondheid , daarbij te beschouwen. Uiteraard moet een plan opnieuw bezien worden als er heel grote veranderingen plaatsvinden in de levenssituatie, zoals het wegvallen van de partner.
In het plan staat natuurlijk hoe men zijn tijd denkt te gaan vullen. De vele mogelijkheden daarvoor hoef ik hier niet op te sommen. Het gaat mij er om dat de woonsituatie een hele belangrijke plaats moet krijgen in het plan. Allereerst omdat niet-werkenden veel meer tijd in huis doorbrengen èn omdat de kans op lichamelijke ongemakken groter is naarmate men ouder wordt. Het plan voor de derde levensfase moet aangeven of iets en zoja wat veranderd zou moeten worden aan de huidige woonsituatie.
Hoewel dit niet als voorschrift is bedoeld vertel ik toch in een stappenplan hoe zo iets kan werken. Het idee is gebaseerd op de woonbewustmethodiek van de (vroegere) Stichting Vrouwen Bouwen en Wonen. Daarbij ga je uit van de activiteiten, die in een woning voorkomen. Aan die activiteiten worden ruimtelijke en inrichtingsvoorwaarden gekoppeld voor de woning en woonomgeving. Vervolgens maak je een programma van eisen en bekijkt hoe je dat zo goed mogelijk kan invullen.
Als men met een partner woont is het de bedoeling dat ieder, geheel alleen, haar/zijn activiteiten/ wensen beschrijft, tezamen met de voorwaarden. Die worden samen gevoegd (uit onderhandeld!) , waarna het programma van eisen wordt opgesteld.

In het activiteitenlijstje komen tenminste aan de orde:
– gezondheid (bv. hoe is die, moet er specifiek aandacht aan geschonken worden, door bv gezondere woonplaats, of aandacht/ tijd/plaats voor training)
– relaties ( niet alleen partner, maar vrienden, hoeveel tijd, grote of kleine gezelschappen)
– werken ( on) betaald werk, hoeveel uur, waar, welke attributen nodig
– huishouden (taken verdelen, eventuele externe hulp)
– hobby’s ( hoeveel tijd, wat is nodig aan ruimte, attributen)
– vakantie (alleen, gezamenlijk, anders, hoeveel tijd, welke vorm)
– vervoermiddelen (bijvoorbeeld is/blijft er een auto)
– persoonlijke voorkeuren (bv houdt men van zon in huis, van een tuin of juist niet)

Aan de hand van het vastgestelde activiteiten lijstje beantwoord je de vragen:
– wat wil ik alleen doen
– in geval van partner: wat wil ik samen met mijn partner doen
– wat wil ik samen met anderen doen.

Hieruit is op te maken hoeveel ruimte nodig is en wat voor soort.
Hoe vaak (in uren per dag/week/maand) die ruimte gebruikt wordt ( nodig voor ‘indikken’ van de ruimte-eisen).
Waar die zich zou moeten bevinden, (in de huidige woonsituatie of moet er verhuisd worden?)

Uit eigen ervaring kan ik vertellen dat zo’n gestructureerd onderzoek van de eigen (en elkaars) behoeften tot een heel verhelderende discussie kan leiden.
Wij kwamen bijvoorbeeld tot de conclusie dat we beslist moesten verhuizen, omdat onze woning te vochtig was voor de cara van mijn partner. En voor de beginnende artrose in mijn knie wilde ik direct naar een woning zonder trappen. Ook moest die nieuwe woning perse in de buurt van een station liggen, daar onze kinderen niet over auto’s beschikten. Verder kwamen wij bijvoorbeeld tot de conclusie dat de een de voorkeur gaf aan muziek luisteren boven TV-kijken en dat de daarbij behorende apparatuur dus beter niet in één ruimte kon staan. Ook bleek dat de computer vanaf dat moment (allebei overdag thuis!) de hele dag beschikbaar moest zijn voor allebei. Een aparte computerruimte, was dat nou belangrijker dan die wens van een aparte logeerkamer? Of konden we die wellicht missen, gezien de frequentie van logeergasten. Etc.etc.

Voor alleenwonenden kan het onderzoek bijvoorbeeld opleveren dat het wel of niet verstandig is uit te kijken naar een vorm van samenwonen, een woongroep, of iets dergelijks.

De resultaten van deze exercitie leveren een ‘programma van eisen’ op voor de meest geschikte woning voor de komende periode. Moet er verhuisd worden of kan de eigen woning , eventueel na aanpassingen, nog dienst doen. Of moet al snel uitgekeken worden naar een woning met een zorgaanbod. (Een handig hulpmiddel om te bekijken of de woning voldoet aan de eisen die aan een woning voor ouderen gesteld worden is de ‘seniorenthuistest’ van de SEV)

In elk geval helpt deze methode een weloverwogen en goed-beargumenteerd besluit te nemen over de woning en woonomgeving waarin de nieuwe levensfase zich gaat afspelen.

Cock Kerling – Simons, 1995